Speerpunten scheidsrechters 2009/2010
19-09-2009 23:07
KONINKLIJK NEDERLANDS KORFBALVERBOND
Landelijke Commissie Scheidsrechters (LCS)
speerpunten 2009-2010
speerpunten
Speerpunten zijn onderwerpen, waaraan gedurende een heel seizoen extra aandacht wordt besteed door scheidsrechters en assistent-scheidsrechters; beoordelaars en scheidsrechterswerkgroepen zien er op toe dat deze taak naar behoren wordt uitgevoerd.
taak scheidsrechterswerkgroepen
De taak van de scheidsrechterswerkgroepen in dezen is:
1. het instrueren en scholen van de scheidsrechters, assistent-scheidsrechters en beoordelaars;
2. het schriftelijk informeren van de scheidsrechters, assistent-scheidsrechters en beoordelaars, o.a. via hun Nieuwsbrieven (landelijk; per district);
3. het gedurende het seizoen registreren van verkregen informatie en het – zo nodig – trekken van conclusies;
4. het doorgeven van deze informatie via de vertegenwoordigers van de scheidsrechterswerkgroepen aan de LUWS.
Het is nu de zesde keer, dat speerpunten worden uitgegeven.
In overleg met de scheidsrechterswerkgroepen en de Werkgroep Regelingen zijn de speerpunten vastgesteld. Zij gelden voor het gehele seizoen 2009-2010.
Enkele stonden ook al in de “Speerpunten 2008-2009”. Gelet op het belang om extra aandacht te (blijven) geven zijn ze weer opgenomen.
Onderwerp nummer 6 staat ook in de Aandachtspunten 2009-2010. De reden hiervoor is de behoefte om én uitleg te geven én de scheidsrechters en anderen te vragen om extra aandacht bij de toepassing van de desbetreffende regel.
speerpunten 2009-2010
De speerpunten voor het seizoen 2009-2010 zijn:
1. spelhervatting; in het spel brengen van de bal
2. positie scheidsrechter bij het opbrengen van de bal; looplijnen
3. positie scheidsrechter in het vak; looplijnen;
4. scheidsrechtersgebaren
5. wangedrag; bedreigen/beledigen van de scheidsrechter; commentaar op de leiding;
6. nemen vrije worp; positie spelers nabij de paal
Toelichting:
SH = spelhervatting
VW = vrije worp
SW = strafworp
1. spelhervatting: in het spel brengen van de bal
Volgens § 3.9c van de spelregels is de bal in het spel gebracht als zij ten minste 2.50 m van de plaats van de spelhervatting (SH) is gekomen, gemeten over de vloer/de grond. Geen van de spelers van beide ploegen mag de bal aanraken voordat zij die 2.50 m heeft afgelegd vanaf de plaats van de SH. Gebeurt dat toch, dan is dat en overtreding; is het een verdediger, dan is het een VW; is het een aanvaller, dan is het een SH; § 3.6v.
Opgelet: deze regel geldt dus ook bij een SH voor een verdediger. In de praktijk komt het nogal eens voor dat een medeverdediger de bal nagenoeg “op komt halen” en de bal aanraakt op een afstand van (veel) minder dan 2.50 m. Dat gebeurt overigens ook nogal eens bij het nemen van een uitworp. Zoals bekend zijn de regels van de SH ook van toepassing bij het nemen van een uitworp en een uitbal.
Bij het nemen van een SH geldt geen afstandseis voor de spelers. Desnoods kan iedereen in een kringetje om de nemer van de SH staan.
Indien een verdediger, die bij de middenlijn een SH neemt, de bal werpt naar zijn aanvaller in het andere vak en de bal legt minder dan 2.50 m af, dan is dat – bij aanraking van de bal door die aanvaller - een overtreding van die aanvaller. Gevolg: SH in het andere vak voor de andere ploeg.
2. positie scheidsrechter bij het opbrengen van de bal; looplijnen
Als de verdediging in balbezit komt moet de bal naar de aanval worden gebracht. De aanvallers mogen het verdedigers daarbij uiteraard moeilijk maken. De scheidsrechter doet er goed aan:
• altijd achter de bal te blijven
• zo dicht mogelijk bij de bal te blijven
Op deze wijze kan de scheidsrechter overtredingen het best waarnemen; daarnaast gaat er ook preventie van uit; tenslotte blijft hij dan ook zicht houden op wat er in het andere vak gebeurt.
Zie ook blz. 40 en 41 van het Scheidsrechtershandboek.
3. positie scheidsrechter in het vak; looplijnen
De positie van de scheidsrechter in het vak zelf wordt vooral bepaald door wat er tussen spelers plaatsvindt en wat voor spelsysteem wordt gespeeld.
In het algemeen kan worden gesteld dat de scheidsrechter dáár moet zijn waar de meeste overtredingen verwacht worden en dáár waar zijn zichtrendement het grootst is. Dat is dus niet bij de midden- of zijlijn, maar in de omgeving van de paal. De scheidsrechter neemt het meeste waar indien hij spelers op zich af ziet komen. Vandaar dat een plaats (schuin) achter de paal – als startpunt - sterk de voorkeur heeft. Vandaar uit zal hij moeten “meebewegen” met het spel. Meebewegen, ook aan de zijde waar de bal is, betekent: naar de zijkant en zelfs ook vóór de paal komen als daarmee het zicht op overtredingen – vooral in het voorvak - wordt vergroot.
Verder is het van groot belang of er wordt vóór- of achterverdedigd. Bij vóórverdedigen zal de scheidsrechter zich achter of opzij van de paal bevinden.
Bij achterverdedigen, waarbij de verdediging tracht het innemen van de paalpositie door de aanval te voorkomen, wordt er meestal gespeeld op een klein oppervlak rondom de aangeef- en de paalpositie, waardoor vóór of – vooral - nabij de paal de overtredingen worden gemaakt. De scheidsrechter zal zich dan ook op die posities moeten richten.
Zie ook blz. 44 en 45 van het Scheidsrechtershandboek.
4. scheidsrechtersgebaren
Volgens § 2.3 heeft de scheidsrechter de leiding van het spel en behoort tot zijn taak onder meer het gebruiken van de officiële scheidsrechtersgebaren om zijn beslissingen te verduidelijken; deze scheidsrechtersgebaren zijn verplicht en staan achterin het spelregelboekje. De ervaring leert dat veel scheidsrechters zich weinig aan deze plicht gelegen laten liggen. Soms gebeurt het, dat een scheidsrechter wel gebaren maakt, behorende bij “eenvoudige” onderwerpen (uitbal e.d.), maar als het er echt op aan komt de belangrijke achterwege laat (zoals bal uit de handen slaan, duwen, afhouden, te zwaar hinderen, verdedigd schieten, schieten na snijden, gevaarlijk spel, toekennen van een SH, VW of een SW). Dat is jammer omdat juist het verduidelijken van de beslissingen een bijdrage kan leveren aan een goede sfeer tijdens de wedstrijd.
5. wangedrag; bedreiging/belediging van de scheidsrechter; commentaar op de leiding
De LCS en de Werkgroep Regelingen ontvangen in toenemende mate berichten over het beledigen en/of bedreigen van scheidsrechters door spelers, coaches, andere bankzitters en publiek.
Scheidsrechters zijn KNKV-vertegenwoordigers. Zij dienen respectvol te worden behandeld, door wie dan ook. Dat gebeurt lang niet altijd: soms tijdens de wedstrijd, in toenemende mate ook na afloop van de wedstrijd.
Een scheidsrechter, die zichzelf respecteert, accepteert deze vormen van wangedrag niet.
Bij “belediging” is de vraag wanneer hiervan sprake is. Helaas moet worden vastgesteld dat scheidsrechters zich nogal eens lankmoedig op willen stellen bij uitingen, die direct of indirect een belediging inhouden. Er zijn zelfs scheidsrechters die er trots op zijn dat ze de belediging “in de geest van de wedstrijd hebben opgelost”, bijvoorbeeld door het maken van een – door hen als zodanig beschouwde – kwinkslag. Zij beseffen niet dat degene, die beledigt, dat heel anders ervaart en zich op dat moment de “winnaar” noemt in de kennelijke confrontatie tussen hem en de scheidsrechter. Alhoewel er geen lijst met directe en indirecte beledigende uitdrukkingen bestaat mag – en dient – het begrip belediging door de scheidsrechter ruim te worden opgevat. Dat betekent vervolgens: geel of rood én vermelding op het wedstrijdformulier. NB: elke vorm van wangedrag, die plaatsvindt totdat de wedstrijdformulieren zijn getekend, dient te worden aangetekend op dit formulier.
Indien er beledigd wordt na het ondertekenen blijft het wangedrag. Dat betekent dat de scheidsrechter daarvan apart aangifte moet doen bij de Tuchtcommissie, zo mogelijk met gebruikmaking van het aangifteformulier, dat op de KNKV-site staat onder: competitie<formulieren<aangifteformulier.
Het moge duidelijk zijn dat elke vorm van bedreiging door de scheidsrechter aangepakt moet worden. Elke bedreiging door houding, beweging of uitlating betekent: rood en niets anders; codes 1c7 (speler), 2c7(coach), 3c7 (anderen). Zie de codekaart en het Bestuursbesluit formele waarschuwing en wegzending.
Tenslotte commentaar op de leiding: te vaak komt het voor dat scheidsrechters lankmoedig zijn en herhaaldelijk commentaar, zeker vanaf de bank en in het bijzonder afkomstig van de coach, tolereren. Dat is onjuist én ongewenst:
a. het mag niet;
b. tolerantie is het begin van een te verwachten incident; als er dan een incident ontstaat is de scheidsrechter daaraan feitelijk medeschuldig;
c. de precedentwerking/collegialiteit (bij een volgende wedstrijd is er een scheidsrechter, die netjes conform de regels leidt; dan is het onvermijdelijke commentaar: “doe niet zo moeilijk, vorige week mocht het wel”).
En tenslotte zouden de scheidsrechters er goed aan doen de coaches te houden aan hun plicht om op de bank te zitten; § 2.2b. De coach mag alleen even van de bank voor het geven van aanwijzingen of het uitvoeren van de in genoemde § vermelde vier taken. “Ik heb geen last van hem gehad” is bepaald geen sterk argument ten aanzien van de coach, die zich niet aan de regels houdt.
6. nemen vrije worp; positie spelers nabij de paal
Het komt in toenemende mate voor dat bij het nemen van een VW een speler, die opzij van de paal staat, wil voorkómen dat een tegenspeler een gunstiger positie inneemt, hetzij naast hem hetzij aan de andere kant van de paal. Gevolg: fysiek gedoe en soms zelfs enig gooi- en smijtwerk. Scheidsrechters treden daar niet altijd voldoende tegen op.
Volgens de toelichting op § 3.10c heeft de scheidsrechter sinds 1 juli 2008 opdracht om contact tussen spelers, die positie innemen bij het nemen van een VW, te voorkomen. Om die opdracht uit te voeren heeft de scheidsrechter een “rechtsgrond” nodig. Dat is § 3.6i: het verbod om een tegenstander te duwen, vast te houden of af te houden.
In de praktijk (dus vanaf 1.7.08) zijn er drie situaties actueel:
1. de situatie, waarbij één speler de positie van de ander niet gunt aan één zijde van de paal;
2. de situatie dat aan één zijde van de paal een aanvaller staat en aan de andere zijde diens tegenstander. Beiden hebben "voetcontact", waarbij het nodige fysieke beenwerk plaatsvindt.
3. de situatie, waarbij een mede-aanvaller en de tegenstander van de nemer van de VW de beste denkbare plaats betwisten.
In de gevallen 1 en 2 dient de scheidsrechter gebruik te maken van § 3.6i. De overtreder dient onmiddellijk te worden bestraft.
Is het een overtreding van de aanvaller, dan is het een SH voor de verdedigende ploeg op de plaats van de overtreding. Is het een overtreding van de verdediger, dan is het een nieuwe VW (ook als de eerste nog niet is genomen). In het laatste geval kan de scheidsrechter tevens gaan "tellen" in verband met § 3.11c-B (het toekennen van een SW wegens een herhaalde overtreding).
In het geval 3 heeft de tegenstander van de nemer van de VW het recht om als eerste positie in te nemen. Dit recht, dat overigens niet in de spelregels staat maar dat voortvloeit uit een destijds door de Technische Commissie ingenomen standpunt, geldt alleen als er nog plaats is. Staat op de door hem gewenste plaats al een speler, dan hoeft deze speler uiteraard geen plaats te maken. Is er toch ongeoorloofd fysiek contact, dan is ook hier § 3.6i het instrument om op te treden.
NB: opgemerkt zij dat dit recht van de tegenstander "intern" ter discussie staat. Een vraag daarover is voorgelegd aan de IKF-PRC; een antwoord daarop is nog niet ontvangen.
In de toelichting op § 3.10c staat geen concrete verwijzing naar § 3.6i, die de scheidsrechter dient te hanteren. De Werkgroep Regelingen zal dit opnemen in de lijst met "spelregelkwesties 2009". Deze lijst wordt na dit kalenderjaar opgemaakt en via het Algemeen Bestuur aan de IKF-PRC gezonden.
De werkgroep heeft sterk de indruk dat scheidsrechters te weinig optreden en dat beoordelaars er te weinig op letten. Dus: werk aan de winkel voor deze functionarissen, maar ook voor de scheidsrechterswerkgroepen.
De werkgroep wijst tevens op een andere situatie: bij het nemen van een VW staat de aangeef naast de paal op de voorgeschreven afstand. Zijn tegenstander staat achter hem. De vraag is: mag dat? Het antwoord is: ja, mits de tegenstander daarbij geen overtreding maakt, zoals het belemmeren van het vrije gebruik van het lichaam (§ 3.6i: vasthouden, duwen, afhouden) of § 3.6j: te zwaar hinderen. Gecontroleerd lichamelijk contact is uiteraard toegestaan. Graag aandacht hiervoor, want er zijn nogal wat scheidsrechters die bij zo’n situatie affluiten, en dat is onjuist.
-------------------------------------
De LCS vraagt de scheidsrechterswerkgroepen dringend deze Speerpunten, alsmede de Aandachtspunten 2009-2010, tijdens de eerste bijscholingsavond in het nieuwe seizoen te bespreken.
Vastgesteld door de LCS op 27 mei 2007
Reacties (0)
Reageer